Workshop-op-papier: poëzie en landschap     

(Schrijven Magazine juni/juli 2004)

zie ook www.schrijvenonline.org voor meer oefeningen.

 

Sporen in het landschap

 

Het is er altijd, of het nou wordt gevormd door lieflijk geboomte of rottend beton: het landschap. In deze workshop-op-papier leert schrijfdocent Aly Freije hoe je jouw landschap omzet in poëzie. ‘Wat betekent het landschap voor jou?’

 

door Aly Freije

 

Door de Nederlandse poëzie kreeg Kader Abdolah oog voor het water, de wind en de regen in het Nederlandse landschap. Hij zag zelfs in de IJssel de loop van zijn Iraanse geboorterivier weer opduiken onder Nederlandse luchten, met dat specifieke licht dat recentelijk de hoofdrol speelde in Hollands Licht, een documentaire van Maarten en Pieter-Rim de Kroon. Dit licht werd in de zeventiende eeuw vastgelegd door de schilders van de Gouden Eeuw, met het donkerste donker en het witste wit. Volgens kunstenaar Joseph Beuys werd dit licht veroorzaakt door de Zuiderzee, het ‘oog van Holland’. Met de inpoldering verdween deze reflecterende spiegel helaas voorgoed. De opnamen van Hollands Licht werden vier seizoenen lang gemaakt op eenendezelfde plek, de dijk tussen Marken en Monnickendam. Ze laten goed zien hoe het licht steeds weer verandert. In de loop van de dag en met de verandering van het weer beleef je het landschap indrukwekkend verschillend.

In de Nederlandse poëzie kom je het landschap vaak tegen met veel verschillende betekenissen. Sterker nog, de oudste, bewaard gebleven Nederlandse tekst gaat over het landschap: ‘Hebban olla vogala nestas hagunnan hinase hic enda thu’- hebben alle vogels nesten begonnen behalve jij en ik. In al de gedichten heeft het landschap veel verschillende betekenissen. Zo kan de beleving van het landschap centraal staan en kunnen de contouren van vroegere landschappen daar, zoals bij Abdollah, doorheen schemeren. Maar landschapsbeelden dienen ook als symbool voor andere aspecten van het leven, zoals liefde, vervreemding, verbazing over het dagelijks bestaan, oorlog of mystiek.

Laten we eens beginnen met de letterlijke betekenis van het woord landschap. Volgens Van Dale is een landschap ‘een stuk land dat men met één blik overziet.’ En het Woordenboek der Nederlandsche Taal voegt daaraan toe: ‘eventueel met inbegrip van kleine dorpen en steden.’ Het landschap is – hoe kan het ook anders in Nederland – niet identiek aan de natuur. Het is juist een gebied waar mensen proberen de natuur te beheersen en naar hun hand te zetten. Want die natuur moest altijd bedwongen en gebruikt worden en J.C. Bloem wist het al: ‘Wat is natuur nog in dit land?/ een stukje bos ter grootte van een krant.’ Voor de natuur moeten we verder reizen. Tot ook daar ingrepen gepland staan.

Een landschap is – volgens Willem van Toorn, iemand die zich bij uitstek met het landschap bezighoudt – drager van herinnering, complexiteit en gelaagdheid. En hij beschreef in zijn gedicht ‘Tekens’ bij een litho van Willem den Ouden het landschap rond de Waal als volgt:

 

Lijnen tegen het groot verdwijnen in.

Zo buigt de wind het riet dat bijna al

verleden is. Zo scheef de wilg. De schaduwval,

net achterhaald binnen de tekening,

 

exact langs deze schuinte van de dijk.

Eeuwenlang wisselend zichzelf gelijk.

Morgen verbannen naar herinnering.

 

Lagen afpellen

Oud cultuurlandschap zoals dat hier beschreven is, brengt ons op allerlei plaatsen in Nederland in contact met ons verleden. Mijn eigen landschap, het noorden van Nederland, toont nog allerlei sporen van oeroude bewoning en bewerking. Als je goed kijkt, tussen je oogharen door weliswaar, zijn van de veroveringen op de zee talrijke tekens in het landschap terug te vinden. Op vele plaatsen verheffen zich in het vlakke land half afgegraven terpen en wierden. Slibwallen, kronkelige waterwegen en dito landweggetjes verraden kreken die vroeger door binnenstromend water werden uitgesneden. Dijken voor de kust beschermden de bevolking op verschillende plaatsen tegen overstromingen. Door nog meer dijken ontstonden tal van zelfstandige polders langs de kust. Je kunt de historie in lagen afpellen van dat landschap. ‘Sommige landschappen zijn zo “vol”, zo rijk aan betekenis dat je ze bijna als een boek kunt lezen of als een prentenboek kunt bekijken,’ schrijft Van Toorn. Iets dergelijks vind je ook in Rutger Koplands serie Water:

 

I

Als met water zelf, met de gedachte

spelen dat je ooit en eindelijk

zult weten wat het is.

 

Het is regen geweest, een rivier, een zee,

hier was het, hier heb ik het gezien

 

en zie ik water en weet niet wat het is.

 

Wat betekent het landschap voor jou? Welke beelden van vroeger doemen bij jou op en wat wil je via je gedichten ontdekken? Een stelregel voordat je gaat schrijven: onderzoek in je schrijven altijd eerst zonder zelfcensuur je associaties. Schrijf vrijuit, nog niet gehinderd door gedachten aan technische vormgeving. Als je voldoende materiaal hebt, kun je in volgende versies schrappen, herschrijven en bijslijpen.

 

Oefening 1

1. Verken een rijk cultuurlandschap in je eigen omgeving of elders, onderzoek de historie ervan, lees landkaarten en gedichten over dat landschap.

2. Trek er doorheen, ontdek de oude ‘sporen’. Maak aantekeningen over wat je ziet, hoort, ruikt; laat de elementen water, lucht, licht en aarde op je inwerken. Lees je aantekeningen door, kies de fragmenten en woorden die betekenisvol zijn en maak een gedicht over die ‘sporen’.

 

Oefening 2

1. Behalve scherp waarnemen is het onderzoeken van betekenissen van woorden een goede invalshoek voor een gedicht. Kies één element en stel jezelf vragen over de betekenis en verschijningsvormen van dat element daar (zie Koplands watergedicht). 

2. Ga daarop associëren en kijk naar tegenstellingen. Water is bijvoorbeeld beweging en stilstand, diepte en oppervlakte, bron en monding, mateloos en begrenzend, dichtbij en overkant, vruchtbaar en dood, kabbelend vredig en woest en vreemd.

3. Maak een paar gedichten, waarin telkens één element centraal staat.

 

Landschapsverdriet

In het gedicht  ‘Tekens’ van Van Toorn klonk bezorgdheid door, het rivierlandschap zou ingrijpend veranderen. Nederland heeft een landschap dat door de eeuwen heen door de invloed van natuur en – vooral – de mens steeds andere vormen kreeg. De laatste decennia is dit proces versneld. De ingrepen van de mens zijn als diepe littekens, en als die niet meer van je netvlies verdwijnen, lijd je volgens NRC-journalist Maartje Somers aan een vorm van landschapsverdriet. Landschapsverdriet is nostalgie en ‘nostalgie is een teken van ontworteling’, citeert ze Van Toorn. ‘Het komt voort uit de menselijke behoefte aan een landschap waar de dingen tenminste even op hun plaats blijven. Het tempo en de schaal van veranderingen is echter te groot geworden, waardoor te veel landschap “onleesbaar” is geworden.’ Maar in de verbeelding van de mens huist nog altijd de voortploegende boer, als symbool, als bewerker van ons landschap. Somers: ‘Onder alle verstedelijking en bulldozerij is ons mentale platteland onverwoestbaar gebleken. De boerderij in ons hoofd valt niet te slopen.’

Iedereen heeft een ‘gevoelslandschap’ dat valt op te roepen. Dit is het volgende motief om gedichten te schrijven.

 

Oefening 3

1. Haal je ‘gevoelslandschap’ terug. Onderzoek je verleden, waarin een landschap als decor een hoofdrol vervulde, of je nu op het platteland of in de stad opgegroeid bent. Hoewel onze kindertijd vaak grotendeels is uitgewist, blijven er sporen achter. Ook in de stad, met oude straten, wijkjes, een beuk op een speelplein of overwoekerde terreintjes aan de rand van de stad, waar later de nieuwbouwwijken verrezen.

2. Zoom in op een kenmerkende plek in het landschap van je jeugd, en ga daar rondlopen, ga er in zitten, liggen of dromen. Registreer alle zintuiglijke ervaringen bij die plek, de kleuren, het seizoen, het weer, de mensen of dieren daar, het geluid van stemmen, de voorwerpen waarmee iets gedaan werd, wat er precies gebeurde – en je verdere associaties bij die plek.

3. Kies beelden, ga mee met associaties en kies betekenisvolle woorden uit je aantekeningen, breid die woorden uit met alliteraties, assonanties, herhalingen. Schrijf een klankrijk gedicht. Let op: probeer niet je gevoelens expliciet te benoemen; ze moeten in de beelden en klanken zitten.

 

Randen

De tussengebieden tussen stad en platteland worden steeds groter. Zeker in een geïndustrialiseerd land als Nederland loop je steeds vaker tegen de randen, de rafels, van stedelijke bebouwing aan. Alex van Warmerdam gaf dat fenomenaal weer in zijn film De Noordelingen. Ook dichter Mustafa Stitou bracht in zo’n nieuwbouwwijk ook in beeld in zijn gedicht ‘De schil waarop wij leven’

 

Het onderliggende het zich tonende,

het zich tonende het zich tonende. Op voormalige

zeebodem een vinexvestiging, met zo natuurlijk

 

mogelijk bos omgeven, recreatiepaden,

en met kunstwerk binnenkort……

 

In zijn boek Stillers omgang verkent Louis Stiller in een voettocht de stadsgrenzen van Amsterdam, tegen de achtergrond van zijn eigen herinneringen. Hij vergelijkt wat hij op zijn tocht tegenkomt met oude stadskaarten en de stadsgeschiedenis. Hij leest er Nescio op na en ontdekt heel nieuwe vormen van stadslandschap, en zelfs stadsrandboeren.

 

Een echte stadsbewoner zal vaak anders dan een plattelander reageren op het landelijke van een landschap dan een plattelander. Dat werd duidelijk kunstenaars die met de samensteller van de expositie Het Russische landschap waren meegereisd naar Rusland. Dichter Ilja Leonard Pfeiffer herinnerde zich van deze reis vooral de troosteloosheid van de Sovjetsteden, met hun nachtmensen, lijmsnuivers en dronken verloren vrouwen. Terwijl fotograaf Bert Nienhuis vooral het eindeloze en eentonige van de natuur noemde en dat in zijn foto’s laat zien. Je gevoelslandschap van vroeger bepaalt mee hoe je nu het landschap ervaart. Bij Pfeiffer lees je de ironische stadsbewoner in het fragment van ‘Lilalente’, waarin associaties, alliteraties en assonanties over elkaar heen buitelen:

 

het is lente in de laat de kanterstraat

lente in de lange laan van poot

monkelt glim mevrouw jolien lahaye

poetst alle knoppen koper

pinkelt glom van weertje weer

pink (petronella) parlevliet de ree

gaat in de tuin een tuiltje tulpenblommen

buiten aquarellen

er piept het een of ander enig merelbeestje

in pim en wietske wielaards pergola…

 

 ‘Als je je even omdraait is het landschap van je jeugd verdwenen,’ schrijft  buitenmens Willem van Toorn boos, ‘autowegen, stadsuitbreidingen en slaapsteden hebben in vijftig jaar het landschap onherkenbaar veranderd, en in de overgebleven delen heeft de recreatie toegeslagen.’ Maar Kees ’t Hart kan het Friese landschap alleen maar mooi vinden wanneer het ‘onzuiver is en doortrokken van de empirische waarheid van mijn bestaan. Daarin passen mijns inziens  hoogspanningsdraden en stapels autobanden om een hoop ingekuild gras af te sluiten.’ Dat soort dingen laat ik liever weg op een foto, maar ze komen wel binnen. Ikzelf balanceer tussen gevoelens van nostalgie  en aandacht voor het curieuze van de zelfkant van nieuwe tussengebieden, maar sla door naar die eerste emotie.

 

Oefening 4

1. Reageer op het ‘onleesbaar’ wordende landschap en de nieuwe tussengebieden. Zet het beeld van je gevoelslandschap daartegen af. Ben je optimistisch, laconiek, nieuwsgierig, ironisch, boos, verontrust of nostalgisch gestemd? Stel jezelf vragen over die verschillen, gedachtenreeksen vormen naast het spel van beeld en taal ook een goede bron voor poëzie. 

2. Kies de eerste associatie die bij een belangrijke vraag bij je opkomt en associeer verder op dat kernwoord. Vervolgens associeer je op al die woorden verder, tot je hele reeksen van woorden krijgt en zich een kernzin aandient.

3. Schrijf nu je gedicht.

 

Stilzetten

Het landschap is als een foto, een momentopname in de lange film van de historie. Het is ook een schilderij en dat is tevens de tweede betekenis die de Van Dale geeft voor ‘landschap’. Beeldende kunst vormt een goede inspiratiebron voor een gedicht. ‘Alsof het beeld even moet worden stilgezet om er houvast aan te kunnen krijgen,’ schrijft Van Toorn, die veel met beeldgedichten werkte.

Een landschap schilderen (of fotograferen) en er dan een gedicht over schrijven kan zeer vruchtbaar zijn. De werkwijze vertoont veel overeenkomsten. In allebei de gevallen gebruik je scherpe waarneming om het landschap vast te leggen, werk je met je eigen herinneringen als achtergrond en moet je oog hebben voor veelzeggende details. Dichters, schilders en fotografen gebruiken associaties en beelden om een nieuwe werkelijkheid te maken. Alleen hun materiaal verschilt. Dubbeltalent Charlotte Mutsaers vindt dat je met taal meer duidelijk kan maken dan met schilderen, ‘want schilder maar eens een paard dat op schoot wil’. Schrijven kon ze zeker – haar beschrijvingen van de worsteling van dat paard in Rachels Rokje is onvergetelijk.

 

Oefening 5

1. Foto’s lenen zich goed voor poëzie, omdat dit soort beelden minder beïnvloed is door een schilder met zijn verf, kwast en interpretatie. Daardoor moet je op zoek moet naar je eigen vragen.

2. Zoek foto’s die iets te raden laten, die meer zijn dan landschapskiekjes. Ik gebruik zelf bijvoorbeeld foto’s van André Kertész, met veel lucht en weerspiegelingen in het water.

3. Associeer rondom de woorden ‘lucht’ en ‘weerspiegelingen’. En zet lucht en weerspiegeling in vergelijkingen neer, maar schrap vervolgens de clichés. Maak een gedicht en gebruik rijkelijk beeldspraak.

 

Stijlen en stromingen

Ga naar het museum en verken zo het landschap. In de workshop die ik dit jaar gaf over landschap en poëzie lieten we ons inspireren door landschapsschilderijen in verschillende stijlen. Het landschap is door de jaren heen in de schilderkunst en in de poëzie namelijk heel verschillend afgebeeld. We reisden met de groep naar Worpswede, vlak bij Bremen, waar aan het eind van de negentiende eeuw kunstenaars als Fritz Mackenzen en Otto Modersohn op zoek gingen naar het licht in een nog onaangetast boerenlandschap. Zij schilderden eerst realistische landschappen, later werden hun doeken impressionistischer. Daarnaast gingen we met de groep schilders/dichters naar het Reitdiepdal in Noord-Groningen, waar de schilders van De Ploeg begin twintigste eeuw de ruimte, de akkers en de luchten van het landschap weergaven in de felle kleuren van het expressionisme.

 

Oefening 6

1. We gaan een beeldgedicht maken. Kies een landschapsschilderij uit een stroming die je aanspreekt. Bekijk het goed en maak aantekeningen.

2. Bezoek dat landschap en schrijf je zintuiglijke waarnemingen op, beschrijf de ruimte, de kleuren, de vormen, de compositie, de lichtval, de voorgrond tegenover de achtergrond, de luchten, het water, het land, de aarde, eventueel de bomen, huizen, dieren en mensen erop.

3. Schrijf op wat voor emoties dit beeld oproept, welke herinneringen boven komen, aan welk landschap doet het je denken.

4. Kijk weer naar het schilderij en schrijf je eerste associatie op. En ga op dat woord verder associëren.

5. Probeer verschillende perspectieven uit om een beeldgedicht te maken, schrijf:

- vanuit de waarneming van het schilderij en je geraaktheid daarbij

- vanuit wat je ervaart als je in het beeld gaat zitten

- door van één van de elementen een personificatie te maken en vandaaruit te schrijven, bijvoorbeeld als de wind die de wolken aanjaagt

- door te reageren op (het maken van) dat schilderij en/of op je eigen dichtproces

- door te reageren op de schilder.

           

Een gedicht moet een zeker evenwicht bereiken tussen begrijpelijkheid en mysterie. Het is goed om te experimenteren met taal en mee te gaan met woorden, zonder meteen naar betekenissen te kijken. En zoals bij het expressionisme in de schilderkunst uit de vormen de kleuren loskomen, beschrijft Lucebert hoe door de melodie de taal gaat loszingen in je hoofd:

 

Het einde

 

Oud de tijd en vele vogels sneeuwen

In de leegte in de verte

Wordt men moe en de stemmen

Staan stijf om zelfs de zuiverste lippen

 

Ruw en laag wandelt de regen

Waarheen zijn de lichte dagen gegaan

Waar zijn de wolken gebleven

Alles is stom en van steen

 

Alleen die in zijn engte de elementen telde

Buigend en bevend als geselslagen

Geeft het laatste geluid: het lied

Heeft het eeuwige leven

 

In dit muzikaal vers met mooie beeldspraak roept Lucebert als geen ander de kracht van de elementen op, het geteisterd worden door het leven, en bovenal de kracht van de poëzie.

 

Oefening 7

In deze laatste oefening experimenteer je met taal en met verschillende dichtstijlen.

1. Lees een serie landschapsgedichten die verschillen in stijl en invalshoek. Streep woorden en woordreeksen aan die je aanspreken.

2. Ga associëren rond die gekozen woorden. Kies een reeks associaties uit, ga door op die woorden en kijk welke beelden eruit naar voren komen. Maak met dit materiaal een gedicht.

 

Een stelregel tot slot. Laat je gedichten lezen aan mededichters. Werken in een groep heeft veel voordelen. Via hun feedback krijg je de eerste reacties van lezers en merk je welk, wel of niet beoogd, effect je gedichten hebben. Het zijn ook de vakgenoten die zich met jou over alle technische kanten van het  gedicht kunnen buigen. Beide soorten reacties kunnen je verder brengen in je werk.

 

 

Boeken over poëzie en beeldende kunst en landschap

Willem van Toorn, Leesbaar landschap.(Querido, 1998) ISBN 90 214 8433 1

Ton van Deel, Als ik tekenen kon, essays. (Querido 1992) ISBN 90 21459388

Arie van den Berg (redactie), Eerst de hoeve, dan het hart. De Nederlandse boerderij in verhalen, gedichten en foto’s. (Sun, 2000) ISBN 90 6168 5931

Ton van Deel (samenstelling), Ik heb het rood van ’t Joodse Bruidje lief. (Querido, 1988) ISBN 90 214 5937x

Alberto Manguel, Kunstlezen, over het kijken naar beeldende kunst.(Ambo 2002) ISBN 90-263-1767-0

E. H. Gombrich, Eeuwige schoonheid. (Gaade Uitgevers 1997) ISBN 90-6017-694-4

De Rijksmuseum Foto Gids. De Gids januari/februari 2000 , Meulenhoff BV Amsterdam

De Beschrijving, Raster no.60, De Bezige Bij, Amsterdam, 1992

Louis Stiller, Stillers Omgang, een ontdekkingsreis rond Amsterdam. (De Prom 2004) ISBN 90-6801-976-7

 

 

Workshop op papier