Gedichten

Gedichten 

Uit: Wondpoeier

Prijswinnende gedichtenserie van de Freudenthal-prijs 2008

 

In lichtbundels daanst t stof

 

I

Wie zain deur t keukenroam

de mörgen deur t landschop goan

licht glipt over toppen van de sierra

roamt heur contouren in glidt

as n slagschip de doalen in

 

De Monte Maroma baargt

nog daip in plooien

schaauw schareleven

moar zunne sloept helgen òf

overvaalt riegen droevestroeken

 

Nachtoadem löst dampend

op in n spectrum van kleuren

Juanita gooit de loeken open

geuren van gulle grond 

mengd mit rìns nachtswait

 

Oliefbomen zetten zuk schrap

tegen wind de krunen richt    

noar t gruiend licht

waigen heur silhouet

zunne trekt aan taauwen

zet aal t bewegen in

 

Gain veld toont zo tastboar t verleden

as n olle oliefgoard in vroug mörgenlicht

tegen glooien aandrokt

de baargweg tilt heur terassen

vol van waarken knooien swaiten

dörsteg drinken gulzeg happen

hoger en hoger de mörgen in

 

n Aander landschop

in opspoarde geuren

nustwaarmte

fluusternde klanken 

zet zok òf tegen

tied en tegenlicht.

 

II

Welkom in t daglicht van Andalusië

de voale gier staart zien cirkelgaang

de torenvaalk haangt staail in lucht 

gierswaalfkes moaken keer op keer n glievlucht

in naacht hangen ze blindelings

aan heur wieken vol overgoave

sloapen ze in lucht

 

Moelezels goan ains in t joar

noar kerke stappen via d ezelsbrug

de stainen trap op deur t dubbele deurke

schoelen soamen heur laange oren

vangen gezangen

over weer n joar dainstboarhaid

trekkraacht  vroagd aan Moagd

 

Juanita melkt op taast omvat

teder de volle mörgenspenen

segemelk kletst tegen emmerwaand

ze fluit heur hond

pakt taze en staf

trekt mit de kudde deur de campo

 

Onder t graas rommelt leven

n ieme boort zoemend d’eerste bloum

n hagedis schut geluudloos weg 

licht en scharevlekken verspringen

onder ruzzelnde bloaren

van de amandel appelsiene avocado

 

k Lig weer as zummermörgen kind

verscholen in t groan

zunne streut schitterns

over t dekschild van n tor

deur stengels ze boegen

wereld gait verschoeven

 

k Richt mie op en zai

haalms in laange riegen stoan

loat d oaren deur mien haanden goan

en vuil de körrels 

deur mien vingers glippen.

 

III

Siëstatied

onwaarkelk witte dörpen

tegen heuvels aanplakt

soezerghaid van stemmen

achter open deuren duustere roemtes

n man glipt n bodega in

 

Licht doavert deur hellende stegen

knalt tegen poorten van hoezen

schaart de moorse muren

stof daanst as in n fiësta

in lichtbundels deur stroaten

 

In dit landschop 

op t hoogtepunt van daag 

vaalt t licht as n hoamerslag

valen mensen daaier in de zun 

onverbiddelk met heur schare soamen

 

Zal Juanita mit heur hond 

in haite schittern de segen

groazend deur de heuvels drieven

proat gutturoal mit heur in segetoal 

 

Mout de laimgrond vergruusd

vruchten oogst en oploaden

noar schure van cortijo brocht

 

k Hak mit n houweel

n gat in tied

riek noar herinnerns

slingerd oet boan

ik zuik noar n haim

 

k Loop van west naar oost

en tel de oares òf

moak plattegronden

veur de ploats de boomgoard

t veurhoes schure hounderhok 

woar mouten de peerden de baankschroef t kaf

k metsel muren ploats baalken stut de nok

timmer roamen ook hoog in t dak

plant weer n wingerd bie schuurdeure

 

IV

En dou was ik weer t wichtje

en joe de olders

nog nait verspraaid

opgoan in wotter

votdreven op wind

 

Ik ken de zun

nog nait mien schare

 

De rogge mout van t laand

wie loaden schoven op woagen

ik zai t speulen van spieren 

in n waigende  peerdebil

 

In waarme schuren prikken wie

schoven van vörk tot vörk daip 

in het vaaierkaant van t goul

deur t vanggat

hoog optaast tot aan t dak

 

Noa schoultied

kroep ik stiekemweg

deur de naauwe  boan

van bruierege schoven 

laangs dakspanten omhoog

noar t verre schiensel van licht

onder t dakroam

dekloek van mien schip

in zunnebundels daanst t stof

 

Ik steut t venster open

licht strikt mit felle vingers

over mien beswait gezicht

daip beneden

aalberenstroeken t knienehok

mor verder weg

tot veurbie de horizon

de landerijen vol lomeghaid

 

V

In oavend vervluien de kleuren

zaacht lila licht trekt zuk terog

broene vaarftoetsen op de hellen

stromen rinkelnd noar omdeel 

nog ainmoal gerop aan planten

moalende koaken triptrap hoefkes

Juanita troag geboart

verzoadegd trekken ze noar staal

 

De wind vaalt stil

de zun zakt leeg

zet t terras in scharetinten

kikker en boerenzwaalfke strooien

heur geluudsgolven deur t dal

en overal echoën verhoalen

de landerijen nesteln zuk

 

Mien landschop wiekt

gait ondergronds

is nait meer thoes te brengen

 

Allain in vloagen zweeft het aan 

as n zwaarm vuurvlaigjes

fluusternd vluikend zingend 

oplichtend in nustkastjes

vullen zai de holtes

mit lichtdailtjes toal.

 

 

 

Uit: Door het Vanggat

verscheen eerder al bij Tzum literair weblog

 

Theater van de dieren in Berlijn (1-2)

 

Hamburgerbahnhof Museum

 

Geschiedenis is als zwarte sinter

op de besneeuwde trottoirs

het dringt de huizen binnen

bonte kraaien wapperen met vlaggen

duiken vloekend naar omlaag

de adelaar hangt hoog boven Berlijn

 

als je de aarde openbreekt tonen zich lagen:

het witte vretende vuur, geblakerde balken

schreeuwend bruin op platgestampte paden

het duifgrijs van te vroeg gestorven vogels

 

Joseph Beuys zeult met een haas

trekt hem zijn armen in, wiegt, wijst

op schilderijen, zet één oor omhoog

fluistert er in wat kunst vermag:

 

-hoe men een dode haas beelden verklaart-

 

 

Kreuzberg Berlijn

 

Hun graffiti trekt huizenblokken op

schopt tegen monumentale deuren

-Zwangsräumung blockieren-

 

ze gooien spuitbussen weg, tappen ander bier

hangen een nacht een beest uit

fabeldieren spreken

draak, griffioen, misschien een sabeltijger

 

ze schaffen fijne kwasten aan, bestuderen

spierbundels, haarinplant van vachten

gevorkte veren, ingekeepte snavels

de kwetsbaarheid van ogen wit

 

in één nacht is op een blinde muur

tot boven aan de nok

een voorstelling neergezet

 

bungelend  aan één poot

een edelhert, een ooievaar, een haas

uitvergroot

hun spreken.

 

 

 

Uit: Door het Vanggat

verscheen eerder al bij Het Liegend Konijn

 

Klein Onrust *

 

Verblindend schermt het fluitenkruid

achter het raam met liefde

er is iets stuk gevallen

 

in de weide staat de haas

op achterpoten ver te reiken

draait de lepels mee, vergeefs

 

hels is het wit van achterblijven

de avond wakkert kou aan

afgeplatte oren, gemis

het dwangmatig mompelen van zinnen

 

kom, zeer geachte langpoothaas

zet je ogen op, wij zien elkaar bij vlagen zitten

neem een aanloop en spring hoog mijn armen in

ik voel je hazenhart heftig  kloppen, vol nog

van razernij en neergang

 

groot onrust sluiten we buiten

krabbelen averechts

een uit de bocht gevlogen woord

een haperend hobo

ik geef je veldlathyrus schenk wijn

streel langdurig

je vacht weer tot bedaren.

 

* oud arbeidershuisje bij boerderij Onrust, Hornhuizen

 

 

Uit: Door het vanggat

verscheen eerder al bij Het Liegend Konijn

 

Het mist

 

I

Ze kreeg een bouwdoos, zette vier palen

in een gatenplaat, schoof langs de gleuven

voor- en achtergevel op hun plaats

dit was haar huis

 

schuren geurden met ingedikte

tractorolie en oogstverhalen

schoffels hingen schuin

tegen de zomerwind

 

deurklinken gingen in verzet   

planken opgebroken, opengezette hokken

ze wiste de witte plekken op behang

zwakte het gissen af

naar een waarom en hoe

 

II

iemand, zij, is uit een trein gestapt

waadt door een weiland zonder voeten

zoals een koe door morgennevels gaat

ze trekt een lijn van links, van rechts, omhoog

de hemel in, twee haakse lijnen raken daar elkaar

de eenvoud van een nok

 

een accordeonist begint te spelen

veenblues scheurt mist aan flarden

het vee dromt samen

uit louter lijnen rijst het op

de boerderij.

 

 

 

Uit: Door het vanggat

verscheen eerder al in Literair Tijdschrift Extaze

Hokkelingen *

 

Een hoopje nattig bont leert aan het leven

te beginnen op te hoge poten

de vastberadenheid om steeds weer

struikelend op te krabbelen

 

ik kruip in het kalverhok tegen haar krullerig lijf

in vers stro, roestig bloed en moederkoek

van nageboorte, gespeend van melk en tepels

dromen we op elkaars adem weg

 

straks dansen we de wankelbenen los

in klavervelden, reikhalzen aan de waterkant

al weten we van kuddegeest

wetten van ruilverkaveling, prikkeldraad

we leggen ons in de avond neer, herkauwen

leren bivakkeren in onszelf

 

en in alle weiden

bij tegenwind, gesloten hekken

 

de plek die je verlaten hebt

de warmte blijven voelen

waar je moeder lag.

 

* kalfjes, gescheiden van de melkkoe

 

 

 

Uit: Door het vanggat

verscheen eerder al in Gierik & Nieuw Vlaams Tijdschrift

 

Spiegels

 

I

Zij waren ongedurig, wilden helder krijgen

wat voortvluchtig was, de klank van schuren

de tinten geel van gerst

als jonge honden volgden ze een spoor

met kans op terugkaatsing

 

een paardenhok, het hek hangt los, drie kinderen

in een veenkanaal, een vrouwenroep verwaait 

wind raast door halmen gras, slaat

bloempotten aan diggelen, rookpluimen stijgen

uit een veld, vol margrieten en bolderik

 

deuren sluiten, water stroomt

uit een plafond, de jongen klemt

een vogel in zijn hand, een man spreekt karig

een vrouw loopt achteruit

gesprekken vallen stil

 

wasem lost op

ze wijken voor de spiegel

de brekingshoek.

 

II

Ze zoeken opnieuw naar openingen, het hart

van een huis, ontsluiten blinden

in een fauteuil zit moeder, verplaatst

haar schaduw, wenkt hen naderbij

 

ze willen weer klein rond haar schoot

zij schetst hoefafdrukken, roestig pakdraad

-littekens maken sterk, breken

kun je het leven niet verwijten-

 

muziek stroomt een piano uit

woorden trekken zich terug, leeg is de stoel

ramen schuiven omhoog  een terras verplaatst  

hen in de zon, is dit hun plek?

 

III

De branding is ver beneden, de zee is in zichzelf

verdiept, een verlangen speelt hoog op, wind neemt

ze in een aanloop mee, onoverwinnelijk zijn zij

kinderen in hun koninkrijk

 

terwijl het geluid van water aantrekt, spiegelt

de zee ze voor, horen zij in soundtrack de muziek

aanzetten, meespringen, stuiteren

ze met reuzensprongen vanaf het hoge duin.